Arthur Briët wordt tot de Haagse School gerekend. Jozef Israëls stond dicht bij hem. Veel schilders uit die school kenden en bewonderden Briët. Aan het einde van de 19e eeuw reisde hij naar Brabant. In het spoor van de Franse meesters rondom Barbizon, en met het oog op hun eigen Hollandse omgeving, lieten de meesters van de Haagse School de mens opgaan in de oneindige ruimte van de zee, de polder en de duinen. Briët toont in zijn interieurs eigenzinnig hoe het wonder van het landschap ook in omgekeerde richting werkt. In plaats van naar buiten, keert Briët in zijn interieurkunst de schoonheid van de mens en het direct nabije oneindig naar binnen. Inderdaad, zijn kunst toont meesterlijk aan dat de binnenwereld van zijn interieurs even oneindig is als de zee, de duinen of de polder.
Een interieurlandschap van de ziel
Zie vanuit dat perspectief dit machtige interieurkunstwerk. De muren ogen als een rotsgebergte. Grillig naar en van elkaar toegekeerd, en afgekeerd. De vloer is als een kuil in een grot. Hout zweeft en doolt verwilderd in de ruimte. Stoel, tafel, of lamp ontbreken. Het plafond is even zwart geblakerd als de duistere nacht. In die wereld buigt de boerin diep voor het troostrijke licht en de warmte van de haard. Ze schudt met een pan onder een kleine waakvlam. Briët schildert een toneel van hemelschrijnende armoede, hardheid, bruutheid en naaktheid. De verwantschap met Vincent van Gogh en Carolus Thijsen dringt zich op. Briët voert de kijker terug naar de ruwe, ongelikte boerenwereld. En dat zonder sentiment. Zonder afstand, luchtigheid, of compromis. Zijn betrokkenheid met alle details van het interieur is echt, diepgaand. Zijn verbreed landschapsidee toont krachtig wat voor hem een interieur wezenlijk is.
Diep door het stof
Na onze grote 17e eeuwse meesters is Briët één van de beste Nederlandse interieurschilders. Staande in een lange traditie weet hij als geen ander dat in een interieur, net als bij een bloem of fruitstilleven, de diepte van de beleving uit en met de dingen zélf moet komen. Briët laat hen aan het woord. In het interieur ontbreken immers de immense luchten en de wolken. Hier dus geen panorama’s om de horizon heen, waarover de buitenschilders van nature beschikken. Licht is hier indirect. En hoe scherp stelt Briët de norm voor zijn kunstwerk! Hij grendelt de ruimte van het binnenhuis hermetisch af. Niet alleen huiselijke voorwerpen, maar ook ramen of geopende deuren ontbreken in dit werk. Hij gunt het licht geen weg naar binnen of naar buiten. Net als water uit een put, moet in deze grot het licht uit de diepte van de dingen naar boven komen. Een harde, schier onmogelijke opgave. Ook Briët moet diep door het stof. Een nooduitgang ontbreekt. Wat is hier wijsheid?
Laag na laag
Het schilderproces van Briët was langdurig. 1 Hij gaf zich volledig over aan zijn kunst. Tekende en schilderde met zijn hart. In stilte en met groot geduld klopt hij met zijn schildersmateriaal op de deur van de zichtbare en tastbare dingen. Laag na laag brengt hij aan op het doek om hun stem te horen. Briët dringt diep door in de muren, de vloer, het plafond, en zijn geliefde boerenvrouw. Met penseel en verf hakt, boort, wrijft, wrikt en bezemt hij zich een weg erdoorheen. Zijn profetische missie is duidelijk. Hij moet laten zien hoe in de grootsheid van het interieur mens en dingen verfijnd samenhorig zijn. Zoekend naar lichtcontrasten, schaduw en diepe duisternis krijgt zijn indringend kunstenaarschap subtiel vat op de grootse werkelijkheid van die intense band. En ja, harde en indringende dingen, zoals de muren, de stenen vloer, het stookhout, de rook, en het diep zwart van het rieten plafond: ze blijken niet bestand tegen de roep van zijn penseel en bezwijken onder zijn geduldig aandringen. Laag na laag geven ze zich in tedere schoonheid gewonnen. De grove, korzelige muur, wordt plots zacht, meegaand en van de weeromstuit even stralend wit als tintelende sneeuw. De harde stenen vloer juicht in een mozaïek van gedempte, hemelse kleuren. Het vest en de rok van de boerin vergaat het niet anders. Het hele interieur zwicht gedwee als het vuur rond de handen van de al even geduldige boerin.
Boerin, kroongetuige en bondgenote
Briët maakt in dit interieurkunstwerk de boerin tot zijn enige bondgenote en kroongetuige. Beiden buigen samen diep en geduldig voor wat groot is. Tijdens het scheppingsproces dulden ze geen pottenkijkers. Direct bij het machtige vuur staan ze met de rug naar hen toe. Niet voor niets. In stilte en met veel geduld verblijven ze dicht bij de drijvende kracht in alle mensen en dingen om hen heen. Ze delen samen in de bestemming van genadige, liefdevolle schoonheid. Daarmee is het werk van hun tedere handen -voor ieder die zien wil- diep gelukkig verbonden.
1. Arthur Briët, ‘Rembrandt van de Veluwe’, Williëtte Wolters-Groeneveld, p. 65.